Honeymoon heaven
Na een paar dagen Surabaya, waarin we vooral weinig hebben gedaan, zijn we terug op Bali. Vanaf het moment dat het vliegtuig landde en we weer voet op de Balinese grond hebben gezet, waren we ons er allebei van bewust dat we stiekem blij waren dat we terug zijn. Java was heel mooi en de Borobudur en de Prambanan hadden we zeker niet willen missen, maar Bali heeft iets waar we allebei op vallen. Iets dat we niet direct onder woorden kunnen brengen. Misschien zijn het de vele tempels, die prachtig versierd het straatbeeld sieren, misschien is het de geur van de wierook bij de offers, misschien zijn het de mensen die trots zijn op hun geloof en op hun eiland, misschien is het gewoon een gevoel. Onderweg van het vliegveld naar Ubud reden we langs rijstvelden en kleine dorpjes, waar de bevolking na een dag werken gezellig bij elkaar zat voor de tempel of bij de eetstalletjes langs de weg, terwijl de zon een geeloranje gloed op de hemel achterliet. Hoe meer we in de buurt van Ubud kwamen, hoe meer galerieën en restaurantjes we passeerden. Ondertussen leerde Dewa mij wat extra woorden en uitdrukkingen in het Bahasa en vertelde hij verhalen over de Balinese cultuur en religie. Eigenlijk was het jammer dat we na bijna twee uur rijden bij het hotel arriveerden. Dat gevoel veranderde toen we het hotel binnengingen en we wisten meteen dat we onze ‘honeymoon heaven’ gevonden hadden. Nou wil ik niemand de ogen uitsteken maar een kleine beschrijving van dit paradijs is wel op zijn plaats. Het hotel is gebouwd tegen een helling begroeid met tropisch regenwoud, waardoor je overal omgeven bent door bomen waarin zich talloze vogels en eekhoorntjes bevinden. Onderaan de helling, in een kleine vallei waar we vanaf het balkon op uitkijken, liggen rijstvelden waar we vanaf vroeg in de ochtend kunnen zien hoe de rijst bewerkt wordt. Aan de overkant van de vallei komt met veel lawaai een waterval uit in de rivier die over terrein van het hotel de bossen in stroomt. Het achtergrond decor wordt wederom gevormd door palmen en andere tropische begroeiing. Onze kamer bestaat uit een slaapgedeelte en een woongedeelte –met Apple tv, tot groot genoegen van Martijn- waarnaast zich over de hele breedte een balkon bevindt, met ligstoelen en een eetgedeelte. De badkamer is gescheiden van het slaapgedeelte door een glazen wand en wanneer je de gordijnen open hebt kan je vanonder de douche de vallei inkijken. Wij kunnen wel wennen aan deze ‘honeymoon heaven’!
Stasiun Surabaya
Vol goede moed zijn we eergisteren op de trein gestapt, maar niet voordat we eerst nog twee exemplaren van ons werelderfgoed hebben bezocht; de Borobudur en de Prambanan. Beide tempelcomplexen staan op een mooie locatie midden in de natuur, omgeven door een groot park (met wat commerciële onzin, als een speelparadijs en een toeristisch treintje, maar we doen gewoon net alsof we dat niet hebben gezien). Omdat de Borobudur tegen de helling van een berg gebouwd is, heb je een geweldig uitzicht over centraal Java, dat misschien wel net zo indrukwekkend is als het bouwwerk zelf. We hadden geluk dat we er tijdens Idul Fitri waren, want ondanks dat we niet om vier uur waren opgestaan om de massa voor te zijn, was het niet heel erg druk. Met een beetje moeite was het zelfs nog mogelijk foto’s te maken waar geen mensen op staan. Het mooiste deel van de tempel is het bovenste deel waar zich de stupa’s met daarin de buddha’s bevinden. Het heeft wel iets speciaals om daartussen te staan en de uit te kijken over bergen en bossen. De Prambanan daarentegen is naar mijn mening het mooist van veraf, wanneer je het tussen de bomen door ziet liggen. De drie tempels voor Vishnu, Shiva en Brahma, staan gebroederlijk naast elkaar, alle drie voorzien van zeer gedetailleerde afbeeldingen, uitgehakt in de tempelwanden en een bezoek van dichtbij zeker waard.
Na de tempelbezoeken zijn we uiteindelijk richting station vertrokken. De regen kwam met bakken uit de hemel op het moment dat we uit ons hotel vetrokken. Gelukkig waren de goden begaan met ons lot en op het moment dat we de koffers en tassen uit de taxi het station in sleepten was het even droog. Zodra we in de stationshal zaten barstte de tropische bui weer los. Wij deelden ondertussen knus onze zitplaatsen op het perron met een Javaanse familie, die ongelooflijke lol hadden en continu in een deuk lagen om die rare blanken met die grote koffers. We zijn op verschillende foto’s vereeuwigd, met koffers en al. De trein had vertraging, wat helaas alleen in het Bahasa werd omgeroepen, waardoor wij elke keer alleen de naam van de trein verstonden, maar vervolgens niet meer wat er mee aan de hand was. Had ik al gezegd dat ik beter Bahasa had moet leren? Toen de trein uiteindelijk kwam was het, tot mijn verassing, vooral voor Martijn een deceptie. Hij had een soort Orient Express verwacht, compleet met riante stoelen, gouden gordijnen en een overweldigende restauratiecoupe. Nou dat had onze trein dus allemaal niet. We hadden prima plaatsen met geweldig uitzicht op het landschap dat voorbij gleed, maar de gordijnen waren vaal en gehavend en de restauratiecoupe was niet meer dan een coupe met een gaspitje en verder vooral zoveel viezigheid, dat we na een blik besloten dat we tot Surabaya zouden vasten. Ik durfde de toiletten niet meer te bekijken, dus dat vasten kwam nog goed uit.. Na mijn koffer in het rek te hebben gepropt, dat eigenlijk meer bedoeld leek voor een ander formaat bagage, reden we door schattige dorpjes, vele rijstvelden en een paar grote steden, waar de achterdeuren van de huisjes uitkwamen op de spoorrails, die de mensen dan ook echt als hun tuin gebruikten. Gelukkig zijn de meeste treinen uitgerust met een enorme claxon en moet je ook wel heel slecht kijken wil je de trein niet zien aankomen. Terwijl Martijn heel blij was met de airconditioning in onze coupe kreeg ik het hoe langer hoe kouder. Een paar keer hebben we mijn koffer van het rek moeten halen om nog een extra laagje kleding aan te trekken, tot ik uiteindelijk maar besloot om een broek onder mijn jurk aan te doen. Tot grote hilariteit van onze (islamitische) medepassagiers had ik weinig andere opties dan dat midden in de coupe te doen. Maar daarna had ik het voor het eerst wel warm! Bij elk station waar we stopten was het een komen en gaan van Javaanse families met tassen vol spullen en etenswaren, lang leve het einde van de ramadan. Tot het donker werd, wat door het slechte weer helaas al snel gebeurde, hebben we ons vermaakt met naar buiten kijken en ons verwonderen over het fraaie landschap, de kleine hutjes langs de spoorlijn, de ploeterende mensen op de sawa’s en de overvolle stations.Het valt dus eigenlijk best mee dat reizen met de trein op Java; zolang je bent aangekleed om de pool te bezoeken, voldoende eten bij je hebt, de dagen ervoor niets hebt gegeten en gedronken zodat je niet naar het toilet hoeft, niet reist met een te grote limegroene samsonite koffer en het einde van de ramadan vermijd, is het best leuk. Vooral als je daarna bij aankomst van het perron wordt opgepikt door een privéchauffeur van je vijfsterrenhotel en je niets meer hoeft te doen dan je buikje rond te eten en onder de wol te kruipen. Welkom in Surabaya!
Javaanse dagen
Onze reis van Bali naar Yogyakarta ging gepaard met een heuse exodus van Balinese moslims. Echt iets voor ons om uitgerekend tijdens de laatste dagen van de Ramadan naar Java te vertrekken. Tezamen met honderden Balinezen, die op Java bij hun familie Idul Fitri (de Indonesische variant van het suikerfeest) zouden vieren. Het Ngurah Rai domestic airport barstte van de mensen uit zijn voegen en alleen door in een veel te duur restaurantje een drankje te bestellen konden wij ons van een zitplaats verzekeren. Onze Balinese medereizigers zaten met hun hele familie op de vloer van de vertrekhal, omgeven door een veelvoud aan tassen met voornamelijk eten. Alles ging mee naar Java; taarten, fruit, rijst en zelfs hele rijsttafels, alsof ze een hongersnood zagen aankomen. Gelukkig voor ons kan niet iedere moslim zich een vliegticket veroorloven en waren velen al met de trein en de boot richting Java vertrokken. De foto’s in de Jakarta Post lieten afgeladen treinwagons zien, met mensen opgestapeld tot aan het dak. Wij zaten daarentegen vorstelijk bij de nooduitgang in het vliegtuig, waar ik mijn voeten niet eens onder de stoel voor mij kon plaatsen; te ver weg (of te korte benen, maar ik houd het liever bij de eerste optie). Bij aankomst op het vliegveld van Yogyakarta begon de chaos opnieuw. De koffers en pakketten uit het vliegtuig kwamen terecht op een band die in plaats van rond draait, eindigt en naar beneden afloopt. Het was niet zo heel moeilijk om daar onder de koffers en rijsttafels bedolven te worden. Het was lastiger om tussen alle opgewonden medereizigers onze koffers te vinden zonder onder te voet te worden gelopen. Toen ons dat uiteindelijk lukte, dankzij Martijn die zo ongeveer 30 centimeter langer is dan de gemiddelde Balinees, werden we opgewacht door een chauffeur van het hotel. Koffers inladen en weg waren we; wat een luxe!
Ons hotel ligt in het noorden van de stad, tussen velden met palmbomen en zijn eigen uitgestrekte golfbaan. Van binnen oogt het koloniaal, met grote eetzalen voorzien van ramen tot aan de plafonds waarachter de tropische begroeiing zichtbaar is. De lobby heeft uitzicht op enkele vijvers en een meer dat zich in het midden van de golfbaan bevindt. Vanaf ons balkon hebben we ’s ochtends uitzicht op Mount Merapi, een nog steeds actieve vulkaan. In de loop van de dag trekt de bewolking over de bergen en verandert het uitzicht, tot we ’s avonds alleen nog de verlichte golfbaan zien liggen.
Zoals het goede toeristen betaamt hebben we meteen maar een bezoekje gebracht aan Malioboro street, de befaamde winkelstraat van Yogyakarta. Wat een gekkenhuis; tientallen brommertjes, vaak met vier passagiers (ouders en twee kinderen tussen hen in geklemd), rijden kriskras tussen de auto’s door. Meer naar de zijkant van de weg bevinden zich wagens met paarden (andongs) en vele felgekleurde becaks, waar oude mannetjes zich in het zweet trappen om hun reizigers te vervoeren. En tussen dat alles lopen wij, met gevaar voor eigen leven. Vele van de winkeltjes op Malioboro street zijn gesloten in verband met Idul Fitri, maar wij zijn er vrij zeker van dat de open winkels representatief zijn voor de rest. Iedereen verkoopt batik sarongs, batik tassen, houten armbanden, nepportemonnees en vreselijk lelijke beeldjes. Ondanks de goede shoppers die we normaal gesproken toch wel zijn, waren we hier vrij snel uitgekeken. Op naar het Kraton dan maar, de volgende stop op het toeristische lijstje. Hier slaagden we erin zonder tussenkomst van een van de gidsen, die vanachter iedere hoek en deur tevoorschijn komen, heerlijk rond te slenteren. Het is apart om te zien dat er nog zoveel van de Nederlandse overheersing achter is gebleven. Een paar oude mannetjes dat ons een paar ansichtkaarten probeerde te verkopen deed dat gewoon in het Nederlands. En in het museum domineerden Nederlandse serviezen. Nadat we alles gezien hadden, hebben we een (gemotoriseerde - we willen niet de hartaanval van een oude Javaan op ons geweten hebben) becak genomen naar het treinstation. Al in Nederland hadden we besloten dat we van Yogyakarta naar Surabaya met de trein zouden reizen. Voor de oplettende lezers; ik weet dat we dat vorig jaar in Thailand ook van plan waren, maar toen uiteindelijk toch kozen voor het gemak van het vliegtuig. Nu gaan we het echter nogmaals proberen en, zoals het er nu uitziet, met meer kans van slagen. Hoewel ik daar gisteren op het station toch even aan twijfelde. Het bleek ten eerste enorm lastig om de juiste lokketen te vinden waar tickets voor de komende dagen verkocht worden. Toen we die loketten eindelijk gevonden hadden, moesten we de jongen bij de ingang er nog van overtuigen dat ook wij een nummertje wilden om geholpen te worden. Helaas lukte dat pas toen er al tien nummers voorbij gekomen waren, waardoor we dus langer moesten wachten. Martijn besloot al vast de benodigde gegevens in te vullen zoals we dat alle andere wachtenden zagen doen, maar ook dat bleek nog niet zo simpel. Ik had toch harder moeten studeren op dat Bahasa. Gelukkig ken ik de cijfers al wel en wisten we dus wanneer we ons bij het juiste loket mochten melden. Daar sprak het meisje achter de balie redelijk goed Engels en lukte het ons vrij snel om twee tickets naar Surabaya te kopen. Het gaat nu dus toch echt gebeuren: wij gaan met de trein!
Afscheid van Sanur
Vijf dagen hebben we genoten van Sanur. Een stadje dat in de meeste reisgidsen bekend staat als de rustige tegenhanger van het toeristische Kuta, geweldig voor jonge gezinnen. Als je dit zo leest klinkt het niet echt heel aantrekkelijk, saai zelfs. Maar net als twee jaar geleden, hebben wij opnieuw een hele andere ervaring gehad. Voor ons is Sanur vooral een gezellige, relaxte plek, zonder alle drukke clubs, bierdrinkende luidruchtige jongeren en getatoeëerde Australiërs, zoals je die in Kuta ziet. Sanur was jaren geleden al in trek bij de hippies en naar mijn mening heeft het stadje nog steeds een bohemian-achtige aantrekkingskracht. De hoofdstraat is een aaneenschakeling van leuke winkeltjes en restaurantjes uit alle werelddelen (we hebben zelfs dosa’s gegeten; iets dat ons in Nederland tot nu toe niet gelukt is). De meeste met mooie, door tropisch groen omgeven, terrassen, waar wij tijdens een heerlijk diner werden toegezongen door een vijfkoppig bandje naast onze tafel. ‘Pretty woman’ heeft nog nooit zo geweldig geklonken! Achter de hoofdstraat ligt een doolhof van tientallen kleinere straatjes, waar wij moeite hadden niet te verdwalen. Onverharde wegen voeren je slingerend door rijstvelden en schattige buurtjes, waar luxe villas zij aan zij staan met provisorisch gebouwde huisjes met prachtige tuinen. Ieder erf wordt hier omgeven door talloze frangipani’s en bougainvilles in vele kleuren. Uiteraard heeft ieder erf een eigen tempeltje, waar meerdere keren per dag kleurrijke bloemen en rijst worden geofferd aan de goden. Wierookstokjes bij de offers verspreiden een typische, zoete geur, die ik in Nederland al twee jaar lang tevergeefs probeer te vinden. Zelfs de uit Bali meegenomen wierook geeft in de tuin in Laren toch een andere geur dan ik had gehoopt. Al fietsend door deze lokale buurtjes worden we steeds vriendelijk gegroet door kromgegroeide oude opaatjes die in de schaduw langs de weg zitten en door schoolmeisjes die in uniform naar huis huppelen. Wat mij betreft hadden we nog wel wat langer van deze geweldige plek kunnen genieten, maar gisteren hebben we Sanur vaarwel gezegd en zijn we vertrokken voor een weekje op Java. Ik ben benieuwd.
Balinese geuren
Na drie dagen op Bali hebben we inmiddels een ander ritme aan genomen. We staan op als de zon schijnt, eten als we honger hebben, slenteren op ons gemak door de straten van Sanur en drinken voor het slapen gaan een slaapmutsje aan het strand. En ondertussen denken we na over hoe het zou zijn om hier te leven. Gistermiddag hadden we een afspraak met een Nederlands stel dat een jaar geleden geëmigreerd is en nu woont en werkt in Jimbaran. We hebben hun huis bewonderd en genoten van de vele Balinese verhalen die ze inmiddels hebben verzameld sinds hun beslissing Nederland definitief te verlaten. Op hun advies hebben we ’s avonds genoten van een heerlijk diner op het strand van Jimbaran, dat bekend staat om de op houtskool gegrilde vis, die je eet terwijl je met je voeten in het zand van de zonsondergang geniet. De restaurantjes hebben hun ingang aan de straatzijde, waar je blik direct wordt gevangen door grote glazen aquaria waar je je vers gevangen vis zelf kan uitzoeken. Vervolgens loop je door de keuken, die eigenlijk niet meer is dan een ruimte met een enorme grill, via een sober ingericht eetgedeelte het strand op. Het is de kunst om dat zo snel mogelijk te doen, gezien de enorme rookontwikkeling met bijbehorende geur, die je vanaf de grill tot minstens op het strand achtervolgt. Iedereen weet in ieder geval tot uren later waar je gegeten hebt. Met de geur van houtskool en gegrilde vis nog in mijn haren, hebben we vanmorgen een andere, nog veel heftiger, reuksensatie mogen ondergaan. Het leek ons wel leuk om eens de lokale markt van Denpasar te bezoeken. Dewa had ons onderweg al geprobeerd te waarschuwen voor de lucht op de markt, die al een aantal van zijn klanten met dicht geknepen neus had doen wegsnellen. Maar ach, wij waren na gisteravond wel iets gewend op het gebied van sterke geuren. Dachten we. Al op het moment dat de deur van het busje openging, werden we omsloten door een geur die ons deed denken aan een combinatie van rottend vlees, oud bloed en dierlijke uitwerpselen. En dan nog enkele gradaties erger. We hebben ondanks deze lucht, enkele rondjes over de markt gelopen, waar halve koeien (inclusief koppen en ingewanden), bergen met pepers, bakken vol stinkende vis en levende kippen naast elkaar uitgestald lagen. Het was leuk om eens gezien te hebben, maar ik denk dat menigeen daar op die markt spontaan vegetariër zou zijn geworden. Terwijl ik dit schrijf, uren later op ons balkon, omgeven door zilte zeelucht en zoete tropische bloesems, kan ik nog steeds die indringende geur ruiken. Nu maar hopen dat een goede maaltijd straks een andere indruk achterlaat…
Happy honeymoon
Wuivende palmbomen, de roep van exotische vogels en de geur van wierook, gegrilde saté en zoete bloesems heetten ons welkom Bali. Selamat datang; terug van weg geweest. Gek eigenlijk, dat twee jaar opeens zo plotseling voorbij gegaan lijken te zijn. Na een prima vlucht, waarbij we ons met zijn tweeën mochten neervlijen op vier stoelen (waarvoor nogmaals dank aan onze lieve vrienden Wendy & Arwin) werden we enthousiast onthaald door Dewa, onze taxichauffeur van twee jaar geleden. Terwijl wij ons tijdens de vlucht hebben afgevraagd hoe we hem in hemelsnaam zouden moeten herkennen tussen al die Balinese mensen op het vliegveld, leek hij er geen moeite mee te hebben ons in het vizier te krijgen. Nadat we slechts een enkele stap buiten de aankomsthal hadden gezet, waren we al gespot. Tijdens de rit naar het hotel zijn we meteen op de hoogte gebracht van al de familieperikelen en het laatste nieuws op Bali, ondertussen genietend van de eerste blikken op het Balinese leven. De ontvangst in het hotel, met een verfrissend drankje en slingers van frangipani, was zoals we het ons herinnerden. Dankzij ons huwelijk werd ons een speciale kamer aangeboden, waar wij natuurlijk geen nee tegen zeiden. En terecht, zo bleek later; we hebben nu de beschikking over een kamer met een gigantisch hoekbalkon met eigen ligbedden en ‘front row ocean view’. Terwijl de zee ruisend voor ons ligt, de frangipani bomen bijna tot aan ons balkon reiken en de vogels en eekhoorntjes zich voor onze neus van boom naar boom verplaatsen, genieten wij van onze eerste vakantiedag. Doordat we ons vlak naast de tempel van het hotel bevinden en uitzicht hebben op de boulevard van Sanur, die overigens meer weg heeft van een schattig wandelpaadje, valt er een hoop te zien vanaf onze ligbedden. Om op een bedje aan de rand van het zwembad of in de tropische tuin te gaan liggen zullen we een concessie moeten doen. Om nog enigszins te compenseren voor deze luiheid zijn we snel na aankomst begonnen met een duik in het zwembad en hebben we de nodige baantjes gezwommen, met boven ons de palmbomen en voor ons de ondergaande zon. Ik denk dat ik iedere dag maar een paar baantjes trek… Na een voortreffelijk diner, werden we bij terugkomst in onze kamer verrast met een hartvormige, versierde chocoladetaart waar we, bij gebrek aan nog meer eetlust gisteravond, vanochtend mee hebben ontbeten. Hij was heerlijk. Zelfs als ontbijt!
Welkom op onze reislog!
Lieve vrienden& familie,
Morgen is het al weer twee maanden geleden dat wij zijn getrouwd en samen met jullie een geweldige bruiloft hebben gehad. Over twee weken zullen we aan ons huwelijkscadeau gaan beginnen, waar we jullie natuurlijk graag van op de hoogte houden. Zet deze site daarom alvast in je favorieten en reis met ons mee naar Indonesie!
Laat gerust af en toe een berichtje achter.
Liefs,
Kimiko & Martijn